Auteur: Robin Smits – osteopaat DO-MRO & sportfysiotherapeut | kinderosteopaat i.o.
Smits Osteopathie, Panningen
Laatst bijgewerkt: 19 augustus 2026
Ligt jouw baby bijna altijd met het hoofdje naar dezelfde kant? Draai je het hoofd voorzichtig naar de andere zijde, maar draait je baby vrijwel meteen weer terug? Of merk je tijdens het voeden dat één richting duidelijk gemakkelijker gaat?
Veel ouders merken dit al tijdens de eerste levensweken op.
Een baby mag natuurlijk een favoriete kant hebben. Wanneer een baby echter structureel dezelfde richting kiest en minder gemakkelijk naar de andere kant draait, kan sprake zijn van een voorkeurshouding.
Vroeg herkennen is belangrijk, omdat langdurig dezelfde positie aannemen kan bijdragen aan een asymmetrische vorm van het hoofdje. Tegelijkertijd is niet iedere voorkeurshouding hetzelfde en hoeft er niet altijd iets ernstigs aan de hand te zijn. De kunst is om te kijken naar hoe vaak je baby dezelfde kant kiest, hoe gemakkelijk hij of zij naar de andere zijde kan bewegen en of er andere vormen van asymmetrie aanwezig zijn.
Wat is een voorkeurshouding bij een baby?
In de Nederlandse JGZ-richtlijn wordt een voorkeurshouding beschreven als een situatie waarbij een baby in rugligging gedurende het grootste deel van de tijd het hoofd naar dezelfde zijde houdt en het hoofd niet actief volledig naar beide kanten beweegt. Ook een baby die het hoofd opvallend veel in het midden houdt en weinig spontaan naar links en rechts draait, kan een afwijkend bewegingspatroon laten zien.
In de praktijk hoeft een ouder natuurlijk geen stopwatch te gebruiken.
Wat vooral opvalt, is het steeds terugkerende patroon.
Je legt je baby bijvoorbeeld met het hoofd naar rechts, maar enkele minuten later ligt het hoofd weer naar links. Tijdens het verschonen kijkt je baby vrijwel altijd naar dezelfde kant. Bij fles- of borstvoeding lijkt één zijde gemakkelijker. Of op foto's valt ineens op dat het hoofd bijna altijd dezelfde richting op staat.
Dat zijn signalen die aanleiding kunnen zijn om er wat beter naar te kijken.
Hoe herken je een voorkeurshouding?
Een van de eerste dingen die ouders vaak merken, is simpelweg:
"Hij kijkt eigenlijk altijd naar links."
Andere signalen kunnen zijn dat je baby het hoofd wel naar de andere zijde kan draaien, maar die positie niet lang vasthoudt, of dat draaien naar één kant zichtbaar meer moeite kost.
Ook kan er een lichte scheefstand van het hoofd ontstaan of kan het lichaam wat asymmetrisch gaan liggen. Tijdens de beoordeling van een voorkeurshouding kijkt de jeugdgezondheidszorg daarom niet alleen naar het hoofd, maar ook naar de symmetrie van de romp en de bewegingen van armen en benen.
Een voorkeur tijdens het drinken kan eveneens opvallen. De JGZ-richtlijn adviseert bij de anamnese expliciet te vragen of een baby tijdens het voeden een duidelijke voorkeurskant heeft.
Waarom kijkt een baby steeds naar dezelfde kant?
Daar bestaat niet één oorzaak voor.
Soms is vooral sprake van een gewoonte- of positioneringspatroon. Baby's kijken bijvoorbeeld graag naar licht, beweging en gezichten. Wanneer interessante prikkels steeds vanaf dezelfde kant komen, kan een bepaalde richting vaker worden gekozen.
Bij andere baby's speelt de beweeglijkheid van de nek een rol. Wanneer draaien naar één kant gemakkelijker gaat dan naar de andere kant, zal een baby vanzelf vaker de gemakkelijkste positie kiezen.
Daarnaast zijn er medische oorzaken die een asymmetrische hoofdstand kunnen geven. De JGZ-richtlijn noemt onder andere torticollis, problemen met zien of horen, een sleutelbeenfractuur na de bevalling, een plexus-brachialisletsel en in zeldzamere situaties neurologische problematiek.
Daarom vind ik het belangrijk om een voorkeurshouding niet automatisch alleen als 'spanning in de nek' te beschouwen.
Eerst moet duidelijk worden hoe het gehele bewegingspatroon van de baby eruitziet.
Wat is het verschil tussen een voorkeurshouding en torticollis?
Deze termen worden nogal eens door elkaar gebruikt, maar ze betekenen niet precies hetzelfde.
Bij een voorkeurshouding kiest een baby opvallend vaak dezelfde richting.
Bij een torticollis is daarnaast sprake van een karakteristieke scheefstand van het hoofd en een beperkte actieve beweeglijkheid van de nek. Bij een congenitale musculaire torticollis kan bijvoorbeeld de musculus sternocleidomastoideus aan één kant verkort of verdikt zijn.
Een baby die steeds naar links kijkt heeft dus niet automatisch een torticollis.
Juist daarom is lichamelijk onderzoek belangrijk wanneer de asymmetrie duidelijk aanwezig blijft.
Kan een voorkeurshouding een afgeplat hoofdje veroorzaken?
Dat kan.
De schedel van een jonge baby is nog vervormbaar. Wanneer het hoofd gedurende langere tijd voornamelijk op dezelfde zijde rust, kan aan die kant een afplatting ontstaan. Een asymmetrische positionele schedelvervorming wordt deformatieve plagiocefalie genoemd. Daarbij kan niet alleen het achterhoofd veranderen; ook het oor en voorhoofd kunnen enigszins van positie veranderen.
Daarom is het verstandig niet pas aandacht aan een voorkeurshouding te besteden wanneer het hoofdje al duidelijk afgeplat is.
Een van de belangrijkste doelen van vroege begeleiding is juist variatie in bewegen en positioneren stimuleren.
Mijn baby kan wel naar beide kanten kijken, maar kiest steeds dezelfde kant. Is dat erg?
Dat verschil is interessant.
Wanneer een baby het hoofd actief gemakkelijk naar beide kanten kan draaien maar meestal één richting kiest, is dat iets anders dan wanneer een baby de andere richting nauwelijks bereikt.
Bij een beoordeling kijk ik daarom onder andere naar:
hoe spontaan beweegt de baby? → hoe ver draait het hoofd actief? → is het bewegingspatroon links en rechts vergelijkbaar? → ontstaat er een scheefstand? → is er al verandering van de schedelvorm?
De combinatie van die bevindingen zegt meer dan alleen de favoriete kant.
Wat kun je zelf doen bij een voorkeurshouding?
Het belangrijkste principe is variatie.
Tijdens wakkere momenten kun je je baby stimuleren om naar beide kanten te kijken. Plaats jezelf, speelgoed en andere interessante prikkels regelmatig aan de niet-voorkeurszijde.
Ook tijdens het dragen, verschonen en voeden kunnen links en rechts worden afgewisseld.
Buikligging is eveneens belangrijk. De Nederlandse JGZ adviseert om baby's vanaf de eerste weken meerdere keren per dag kort op de buik te leggen wanneer zij wakker zijn én onder toezicht staan, en dit geleidelijk uit te breiden.
Slapen blijft altijd op de rug. Buikligging wordt gebruikt als oefen- en speelhouding wanneer je baby wakker is en onder toezicht staat; het advies om baby's op de rug te laten slapen verandert hierdoor niet.
Mijn baby vindt tummy time helemaal niet leuk. Wat nu?
Dat hoor ik ontzettend vaak.
Een baby hoeft niet meteen langere tijd plat op een speelkleed op de buik te liggen. Zeker jonge baby's moeten aan deze houding wennen.
Je kunt beginnen met heel korte momenten. Buikligging op de borst van een ouder, dwars over de benen of met ondersteuning onder de borst kan voor sommige baby's gemakkelijker zijn. De JGZ adviseert eveneens buikligging op verschillende manieren aan te bieden en dit geleidelijk uit te bouwen.
Het gaat dus niet om één lange training, maar om veel kleine momenten verspreid over de dag.
Wanneer zou ik een voorkeurshouding laten beoordelen?
Ik zou niet maandenlang afwachten wanneer je merkt dat je baby heel consequent dezelfde zijde kiest.
Laat er bijvoorbeeld naar kijken wanneer draaien naar één kant duidelijk moeilijker gaat, het hoofd vrijwel altijd terugdraait naar dezelfde zijde, een duidelijke scheefstand ontstaat of je ziet dat het achterhoofd aan één zijde platter begint te worden.
Ook asymmetrie van de armen of benen, opvallend weinig bewegen, een duidelijk afwijkende schedelvorm die al vanaf de geboorte aanwezig is of andere zorgen over de ontwikkeling zijn redenen om dit met het consultatiebureau, de jeugdarts of huisarts te bespreken. De JGZ-richtlijn benadrukt dat bij een mogelijke onderliggende oorzaak verdere diagnostiek of verwijzing nodig kan zijn.
Wanneer houdings- en hanteringsadviezen onvoldoende verbetering geven, kan verwijzing naar een kinderfysiotherapeut passend zijn. Voor geprotocolleerde kinderfysiotherapie bij voorkeurshouding bestaat binnen de JGZ-richtlijn ondersteunend bewijs.
Wat onderzoek ik als osteopaat bij een baby met een voorkeurshouding?
Wanneer ouders met hun baby bij mij komen, begin ik met het verhaal rondom zwangerschap, bevalling en de eerste levensweken.
Ik wil bijvoorbeeld weten wanneer de voorkeurshouding voor het eerst werd opgemerkt, naar welke kant de baby graag kijkt, of de baby zelfstandig naar de andere kant draait, hoe het voeden gaat en of ouders verandering van de vorm van het hoofdje zien.
Daarna kijk ik naar het gehele bewegingspatroon.
Ik beoordeel onder andere hoe de baby spontaan beweegt, hoe het hoofd naar links en rechts draait, hoe de nek en bovenrug bewegen en of er asymmetrie zichtbaar is in schedel, romp of houding.
Het doel is niet om simpelweg te concluderen dat er ergens 'een wervel verkeerd staat', maar om te beoordelen waarom deze baby steeds dezelfde positie kiest en of er aanwijzingen zijn waarvoor een andere zorgverlener moet worden betrokken.
Kan osteopathie helpen bij een voorkeurshouding?
Sommige ouders kiezen aanvullend voor osteopathisch onderzoek wanneer hun baby een duidelijke bewegingsvoorkeur heeft.
Binnen de osteopathie wordt met zachte manuele technieken onderzocht of er gebieden zijn die minder vrij bewegen en of deze mogelijk samenhangen met het bewegingspatroon van de baby.
Ik vind het daarbij belangrijk om transparant te zijn over de wetenschap: in de Nederlandse JGZ-richtlijn is kinderfysiotherapie onderdeel van de reguliere keten bij aanhoudende voorkeurshouding, terwijl het bewijs specifiek voor osteopathische behandeling van voorkeurshouding en schedelvervorming als onduidelijk wordt beschreven.
Osteopathie zie ik daarom niet als vervanging van de jeugdarts, huisarts of kinderfysiotherapeut.
Mijn rol is om zorgvuldig te onderzoeken, ouders praktische adviezen te geven en — wanneer het klachtenbeeld daar aanleiding toe geeft — te adviseren om een andere zorgprofessional te betrekken.
Hoe snel moet een voorkeurshouding verbeteren?
Dat verschilt per baby.
Wanneer vooral positionering en dagelijkse gewoontes een rol spelen, kunnen ouders soms relatief snel merken dat hun baby vaker naar de andere zijde gaat kijken. De JGZ-richtlijn vermeldt dat bij goed uitgevoerde positionerings- en hanteringsadviezen binnen enkele weken al verandering zichtbaar kan worden.
Belangrijker dan één specifiek tijdschema is dat er progressie zichtbaar is.
Draait je baby steeds gemakkelijker naar beide kanten? Wordt de houding symmetrischer? Komt er meer variatie in bewegen? En neemt eventuele afplatting niet verder toe?
Als die ontwikkeling uitblijft, is opnieuw beoordelen verstandig.
Voorkeurshouding bij je baby laten onderzoeken in Panningen
Merk je dat je baby bijna altijd naar dezelfde kant kijkt, moeite heeft om naar de andere zijde te draaien of begint er een afplatting van het hoofdje te ontstaan?
Bij Smits Osteopathie in Panningen kun je terecht voor een uitgebreide beoordeling van het bewegingspatroon van je baby.
Ik combineer mijn achtergrond als osteopaat DO-MRO en sportfysiotherapeut met aanvullende scholing en opleiding binnen de baby- en kinderosteopathie.
Daarbij kijk ik niet alleen naar welke kant je baby kijkt, maar naar het gehele beeld: spontane beweging, beweeglijkheid van de nek, houding, schedelvorm, voeding en ontwikkeling.
Wanneer ik tijdens het onderzoek signalen zie die beter beoordeeld kunnen worden door bijvoorbeeld de jeugdarts, huisarts of kinderfysiotherapeut, bespreek ik dit met de ouders.
Twijfel je of jouw baby een voorkeurshouding heeft? Dan kun je contact opnemen of een afspraak maken om samen te bekijken wat er speelt.
Bronnen
Nederlandse JGZ-richtlijn Voorkeurshouding en schedelvervorming, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.
JGZ-richtlijn Wegen, meten en groeidiagrammen, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, geactualiseerd in 2026.
American Academy of Pediatrics, informatie over positionele schedelvervorming, veilig slapen en tummy time.
Deze pagina bevat algemene gezondheidsinformatie en vervangt geen individuele beoordeling door een arts of andere zorgprofessional.